Schilderen is voor Matthieu van Riel altijd een strijd tussen het geplande en het toeval, het onvoorspelbare.

 

Opvallend voor het werk van Matthieu is de verscheidenheid in manieren van schilderen.

Eén manier van schilderen leidt volgens hem al snel tot een maniertje, een methode, waarbij het werk te leeg wordt, meer een buitenkant.

 

De onderwerpen zijn wel een constante: landschappen en de natuur.

Zonder de gedachten aan het landschap of de natuur kan hij niet schilderen.

Voor zijn schilderijen gebruikt hij foto’s die hij maakt tijdens zijn vele wandelingen langs meren en rivieren, in bossen, polders in Nederland en het ruige bergachtige Jotunheimen en Rondane in Noorwegen, in Zweden, het Mont Blanc Massief en in de Dolomieten. De foto’s dienen alleen als geheugensteun.

Hij zoekt juist die plekken op die gevoelens van de grootsheid van de natuur opwekken, het sublieme.

 

Zijn onmogelijkheid de ervaring van het aan het landschap gerelateerde sublieme te doen opwekken door middel van kwast en verf op doek, bracht hem op het idee om natuurlijke elementen en natuurverschijnselen zoals een bergmassief en gletsjer, ruimte, licht en spiegelingen in water als het ware aan hun dagelijkse werkelijkheid te onttrekken, ze te abstraheren, te vereenvoudigen en ze te plaatsen in een nieuwe context, in de realiteit van het schilderij.

 

Tot voor kort maakte hij schilderijen op het grensvlak van abstractie en figuratie. Het zijn doeken, waarbij zijn benadering van de natuur en het landschap formeel is, ze zijn gepland, geconstrueerd bijna. De verf schraal opgebracht.

Omdat deze schilderijen hem letterlijk te ‘leeg’ werden - hij miste het fysieke contact met de verf, het omgaan met het materiaal - is hij daarna intuïtief gaan werken. In de meest recente werken heeft hij de horizon uit de werken verbannen. Dat maakte voor hem de weg vrij om vanuit het materiaal te denken en werken.

Hij wil verrast worden door het toeval dat het werken vanuit de materie met zich mee brengt, omdat dit oneindig veel nieuwe mogelijkheden creëert.

 

Hij grijpt met deze doeken terug op het abstracte werk dat hij maakte in 1986-1998 en 2005-2006. Deze abstracte werken zijn met name ontstaan uit ‘het liggende’ van het landschap, met de verwijzing naar de platheid van het Nederlandse landschap.